Welzijnszorg: al 40 jaar samen tegen armoede
1969, het einde van de "golden sixties". België was nog wel een welvaartsstaat maar anderzijds merkten Caritas en andere organisaties heel wat noden op in de marge van die welvaartsstaat.
Onder impuls van sociaal geëngageerde burgers ontwikkelden zich ook allerlei nieuwe initiatieven voor gemarginaliseerde groepen: een week voor de 'ouden van dagen', werkgroepen 'Onthaal en solidariteit voor migranten', acties voor verlaten jeugd "Kinderen in nood" (initiatieven voor kinderplaatsing en adoptie). Het coördinatieprobleem van deze verschillende initiatieven voor binnenlandse noden lag aan de basis van de oprichting van Welzijnszorg. De promotor was Roger Dillemans, de toenmalige voorzitter van Caritas.
Bovendien wou hij de bestaande initiatieven van sociale dienstverlening verder uitbouwen en hen de nodige financiële armslag geven. Dat was de aanleiding voor de oprichting in 1970 van de Konfederatie van Instellingen voor Sociale Dienstverlening (KISD), de voorloper van het huidig Verbond van Instellingen voor Welzijnswerk.
Coördinatie en financiering, maar ook het bewerkstelligen van een coherente beleidsvisie stimuleerden de autonome ontwikkeling van Welzijnszorg, met als doel erkenning en subsidiëring verwerven voor het sociaal welzijn.
De eerste campagne “Actie Welzijnszorg”, in 1969, werd onmiddellijk opgevat als een ‘ontdekkingstocht en een opbouwwerk’ vanuit de Universele Rechten van de Mens. Pas bij de volgende campagne, in 1970, wordt ook een kerkelijke collecte georganiseerd vanuit de ervaring dat een bewustmakingsproces moet samengaan met ‘concreet iets doen’.
In 1973 wordt Welzijnszorg een autonome organisatie met bewustmaking en geldinzameling als doelstellingen. In haar eerste zelfstandige campagne stelt Welzijnszorg scherpe politieke eisen rond gevoelige thema’s: het recht op een bestaansminimum en een rechtvaardig statuut voor gastarbeiders. Het rechtenverhaal doet expliciet zijn intrede, er moet een nieuwe samenleving komen met betere structuren. Dat vergt een grondige mentaliteitswijziging, zowel bij burgers als bij de overheid.
De samenwerking met de ngo-partner Broederlijk Delen vertrekt vanuit de vaststelling dat de uitsluitingmechanismen in het noorden en het zuiden identiek zijn, maar geeft voor een kleine organisatie als Welzijnszorg ook de mogelijkheid om een lokale werking uit te bouwen.
Vanaf de jaren ‘80 ontwikkelt Welzijnszorg een grotere autonomie en wordt het thema (kans)armoede verder ‘verkend’: wetenschappelijk, via contacten met een aantal toonaangevende instituten, maar ook via de bevoorrechte samenwerking met de vierdewereldbeweging. Rechtvaardigheid en algemene grondrechten zijn de rode draad doorheen de campagnes van dit decennium
Professionalisering van methodes en materialen doet haar intrede. Er is meer afstemming op de noden van de afnemers en de projectensteun wordt geheroriënteerd, waardoor een aantal nieuwe maatschappelijke sectoren ontwikkeld kunnen worden. Zo speelde Welzijnszorg een belangrijke rol bij het ontstaan van Hefboom, het Vlaams Overleg Bewonersbelangen, Het Steunpunt Lokale Netwerken (SLN) en het Steunpunt Sociale Tewerkstelling (SST). Verschillende sociale verhuurkantoren en wijkgezondheidscentra verzamelden met behulp van Welzijnszorg hun startkapitaal, enz.
Welzijnszorg stimuleert ook het opstarten van lokale Welzijnszorggroepen die inspelen op armoedesituaties en concrete noden van mensen, waaruit later de Welzijnsschakels ontstaan. Welzijnszorg wordt zo ten volle een beweging die mensen aanzet tot duurzame vormen van sociale actie. De politieke actie verruimen we tot het ad-hoc inspelen op de actualiteit.
In het begin van de jaren ‘90 stellen we voor het eerst een globaal beleidsplan op waarin Welzijnszorg de vier strategische sporen omschrijft om haar doelstelling te bereiken. In het eerste Algemeen Verslag over de Armoede (1994) wordt via de dialoogmethode uitdrukkelijk stem gegeven aan de ervaring van de mensen in armoede zelf. Welzijnszorg erkent deze emancipatorische beweging, en trekt ze door in haar campagnes waaraan mensen in armoede via hun getuigenissen mee inhoud geven. Een andere tendens is dat via een breed campagnepartnerschap het netwerk groeit en het bewegingswerk een bredere ingang in de samenleving vindt.
Het eerste decennium van de nieuwe eeuw wordt gekenmerkt door een verbreding en een verdieping tegelijkertijd. Verbreding door het partnerschap met steeds nieuwe organiaties en lokale afdelingen van Welzijnsschakels bij de opbouw van de campagne. De projecten die we financieel steunen worden ook nauwer betrokken bij het politiek en educatief werk. Maar ook verbreding in de fondsenwerving door het uitwerken van nieuwe pistes en modellen.
Verdieping is op meerdere terreinen zichtbaar, maar vooral in het opnemen van vormings- en ondersteuningstrajecten met organisaties die drempelverlagend willen werken naar kansengroepen toe.
De samenwerking met mensen in armoede, ten slotte, krijgt een zeer specifieke vorm door het aanwerven van een opgeleide ervaringsdeskundige in de armoede en de sociale uitsluiting.